Cannabidiol (CBD) verhandelen als het in een andere lidstaat rechtmatig is geproduceerd

19 november 2020 | Blog

Vandaag, op 19 november 2020, heeft het Europese Hof van Justitie (Hof) een interessant arrest gewezen over nationale wetgeving op het gebied van Cannabidiol (CBD). Zo oordeelde het Hof dat een lidstaat de verhandeling van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde cannabidiol (CBD) niet kan verbieden wanneer deze is geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet enkel uit de vezels en het zaad daarvan. Er is echter wel weer een uitzondering.

Waar ging het in deze zaak om?

B S en C A zijn de voormalige bestuurders van een vennootschap die zich onder andere bezighoudt met de handel in en de distributie van Kanavape, een elektronische sigaret waarvan de vloeistof cannabidiol (CBD) bevat. In deze concrete zaak werd de gebruikte CBD in Tsjechië geproduceerd waarbij de volledige cannabisplant (Cannabis sativa) (hierna ‘’cannabisplant”) werd gebruikt, die daar ter plaatse was geteeld. De CBD werd in Frankrijk ingevoerd door de vennootschap van de twee voormalig bestuurders, die deze in patronen voor elektronische sigaretten verwerkte. Deze voormalig bestuurders zijn in een Franse strafzaak veroordeeld, omdat krachtens de Franse regeling* alleen hennepvezels en -zaad voor commerciële doeleinden mogen worden gebruikt. Tegen dit vonnis zijn de twee voormalig bestuurders in beroep gegaan bij de cour d’appel d’Aix-en-Provence (hierna de ‘verwijzende rechter’). De verwijzende rechter vroeg zich af of de Franse regeling - die de verhandeling verbiedt van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde CBD die uit de volledige cannabisplant wordt geëxtraheerd, en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan -  verenigbaar is met het Unierecht. Waardoor hij de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing heeft verzocht in dit kader.

Oordeel Hof

In zijn arrest van vandaag, 19 november 2020, oordeelt het Hof dat het Unierecht, in het bijzonder de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen binnen de Unie (artikelen 34 en 36 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)), in de weg staat aan de nationale regeling in kwestie.

De bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen binnen de Unie (artikelen 34 en 36 VWEU) zijn namelijk van toepassing. Dit omdat de CBD die in het hoofdgeding aan de orde is niet als een “verdovend middel” kan worden beschouwd. Dit is relevant omdat personen die verdovende middelen verhandelen, zich niet kunnen beroepen op de toepassing van de vrijheden van verkeer, omdat een dergelijke handel in alle lidstaten verboden is, afgezien van een strikt gecontroleerd handelsverkeer ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden.

Het Unierecht verwijst voor de definitie van de begrippen “drugs” of “verdovend middel” met name naar twee verdragen van de Verenigde Naties: het Verdrag inzake psychotrope stoffen en het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen. CBD wordt niet vermeld in het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Een letterlijke uitlegging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen zou weliswaar tot gevolg kunnen hebben dat CBD als verdovend middel wordt ingedeeld, maar, aangezien het gaat om een extract, zou deze uitlegging in strijd zijn met de algemene strekking van laatstgenoemd verdrag en het erdoor nagestreefde doel om de “lichamelijke en geestelijke gezondheid van de mensheid” te beschermen. Dit omdat volgens de huidige stand van de wetenschappelijke kennis, waarmee rekening dient te worden gehouden, CBD geen psychoactieve stof bevat - in tegenstelling tot tetrahydrocannabinol (THC).

Verder oordeelt het Hof dat het verbod op de handel in CBD een door artikel 34 VWEU verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt. Een dergelijke regeling kan rechtvaardiging vinden in een van de in artikel 36 VWEU opgesomde gronden van algemeen belang. Hieronder valt het door Frankrijk aangevoerde doel van bescherming van de volksgezondheid, op voorwaarde dat zij geschikt is om dit doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan daarvoor noodzakelijk is. Het is aan de nationale rechter om het laatstgenoemde te beoordelen, maar het Hof geeft in dit verband twee aanwijzingen. Ten eerste wijst het Hof erop dat het verhandelingsverbod niet van toepassing lijkt te zijn op synthetische CBD die dezelfde eigenschappen bezit als de betrokken CBD, en die dus als substituut daarvoor zou kunnen worden gebruikt. Indien dat zou vaststaan, zou dit erop kunnen wijzen dat de Franse regeling niet geschikt is om het doel van bescherming van de volksgezondheid op samenhangende en stelselmatige wijze te verwezenlijken. Ten tweede erkent het Hof dat Frankrijk niet hoeft aan te tonen dat CBD hetzelfde gevaar oplevert als bepaalde verdovende middelen. De nationale rechter moet de beschikbare wetenschappelijke gegevens beoordelen om zich ervan te vergewissen dat het aangevoerde reële gevaar voor de volksgezondheid niet op zuiver hypothetische overwegingen lijkt te zijn gebaseerd. Een verbod op de handel in CBD - overigens de meest ingrijpende belemmering van het handelsverkeer in producten - die in andere lidstaten rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht, kan immers slechts worden uitgevaardigd indien dat gevaar voor de volksgezondheid voldoende aannemelijk blijkt te zijn.

Al met al een interessant arrest. Vooral omdat men bij CBD er vaak tegen aanloopt dat voor wat betreft de productie van hennep of cannabis sativa – waar CBD een bestanddeel van is – en de verhandeling, er verschillende regels gelden in de diverse Europese lidstaten.

Vragen over dit onderwerp? Neem contact op met Barbara Mutsaers, advocaat Food & Life sciences bij AKD Benelux Lawyers.

* Besluit van 22 augustus 1990 houdende toepassing van artikel R. 513286 van de code de la santé publique [(Frans wetboek van volksgezondheid)] ten aanzien van cannabis (JORF van 4 oktober 1990, blz. 12041), zoals uitgelegd bij circulaire nr. 2018/F/0069/FD 2 van het ministerie van Justitie van 23 juli 2018 over de rechtsregeling die van toepassing is op instellingen die cannabisproducten aan het publiek verkopen (coffeeshops).

Meld u aan voor onze nieuwsbrieven