Bij beschikking van 30 april 2018 heeft de Ondernemingskamer ('OK') van het gerechtshof Amsterdam een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van DeSeizoenen BV en bij beschikking van 2 mei 2018 onderzoeker mr. J.M. Blanco Fernández aangesteld. Aanleiding hiervoor is kort gezegd een vennootschappelijke structuur waarbij het vastgoed dat DeSeizoenen BV in gebruik heeft, ondergebracht werd in een aparte BV behorend tot dezelfde groep, en verhuurd werd aan DeSeizoenen BV (zie ook een eerdere blog). Op 21 december 2018 is het onderzoeksverslag gepubliceerd. Deze blog gaat over het instructieve en overzichtelijke onderzoeksverslag.
Concernstructuur DeSeizoenen
DeSeizoenen bestaat als groep uit een holding (WW Zorg Groep) en drie werkmaatschappijen (Care Shared Services BV, DeSeizoenen BV en Vastgoed DeSeizoenen BV). WW Zorg Groep is enig aandeelhouder van alle groepsmaatschappijen. Aandeelhouders van WW Zorggroep zijn de heren Winter (40%), De Boer (40%), Flach (10%) en Lensselink (10%), waarbij Flach en Lensselink tevens bestuurders waren van DeSeizoenen. Drie locaties waarin DeSeizoenen BV zorg verleent zijn eigendom van Vastgoed DeSeizoenen BV. Laatstgenoemde verhuurt deze locaties aan DeSeizoenen BV. De verwerving van het vastgoed door Vastgoed DeSeizoenen BV is mede mogelijk gemaakt doordat DeSeizoenen aan Vastgoed DeSeizoenen BV een achtergestelde lening ter beschikking heeft gesteld.
Onderzoeksverslag DeSeizoenen
Het onderzoek richt zich in de kern genomen op de vraag of de verwerving van bepaalde registergoederen waarin DeSeizoenen haar activiteiten ontplooit, voldoende zorgvuldig en onafhankelijk is geweest, en of met de verwerving in de gegeven specifieke situatie voor DeSeizoenen een onderhandelingsresultaat is bereikt dat blijk geeft van behoorlijk ondernemingsbestuur. De eindconclusie van de onderzoeker is kort gezegd dat DeSeizoenen BV bij het tot stand brengen van de verwerving van bepaalde registergoederen enkele fouten heeft gemaakt, maar dat "de ernst van de fouten niet zodanig is dat gezegd kan worden dat DeSeizoenen gehandeld heeft in strijd met de beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur." Er is naar zijn oordeel geen sprake van wanbeleid.
Bij de eindconclusie neemt de onderzoeker net als de OK als uitgangspunt dat het op basis van de bestaande wet- en regelgeving is toegestaan dat het vastgoed waarvan een zorginstelling als DeSeizoenen zich bedient voor de zorgverlening ondergebracht wordt in een aparte entiteit van de groep, en dat de winst die de vastgoedvennootschap maakt met de verhuur van het vastgoed aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd. De onderzoeker deelt de overweging van de OK dat de constructie er echter niet toe behoort te leiden dat voor de zorg bestemde gelden wegvloeien naar zustervennootschappen waarvoor het verbod op winstuitkering niet geldt. Dit is een opvallende normstelling, aangezien deze norm niet voortvloeit uit de Wet Toelating Zorginstellingen (zie hierover ook een eerdere blog).
De lessen uit de casus DeSeizoenen
Uit het onderzoeksverslag valt af te leiden dat gebruikelijke ondernemingsrechtelijke transacties in een zorgomgeving een hogere mate van zorgvuldigheid vereisen dan transacties in een commerciële omgeving. De onderzoeker geeft aan dat de standaarden die gelden voor een BV in een commerciële omgeving niet onverkort van toepassing kunnen zijn op een zorgomgeving. De onderzoeker wijst in dat kader op het winstuitkeringsverbod en het vraagstuk van het tegenstrijdig belang. Hij geeft aan dat tussen de standaarden die gelden in een zorgomgeving en die in een commerciële omgeving gelden, een zekere spanning kan ontstaan. Vanuit maatschappelijk opzicht valt iets te zeggen voor afwijkende standaarden voor de zorgomgeving, maar dat uitgangspunt is veelal niet gebaseerd op een wettelijke grondslag. Bovendien is onduidelijk welke extra normen wel gelden voor zorgaanbieders. Kort en goed, het zijn van een onderneming in de zorg is en blijft een uitdaging.
Bij beschikking van 30 april 2018 heeft de Ondernemingskamer ('OK') van het gerechtshof Amsterdam een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van DeSeizoenen BV en bij beschikking van 2 mei 2018 onderzoeker mr. J.M. Blanco Fernández aangesteld. Aanleiding hiervoor is kort gezegd een vennootschappelijke structuur waarbij het vastgoed dat DeSeizoenen BV in gebruik heeft, ondergebracht werd in een aparte BV behorend tot dezelfde groep, en verhuurd werd aan DeSeizoenen BV (zie ook een eerdere blog). Op 21 december 2018 is het onderzoeksverslag gepubliceerd. Deze blog gaat over het instructieve en overzichtelijke onderzoeksverslag.
Concernstructuur DeSeizoenen
DeSeizoenen bestaat als groep uit een holding (WW Zorg Groep) en drie werkmaatschappijen (Care Shared Services BV, DeSeizoenen BV en Vastgoed DeSeizoenen BV). WW Zorg Groep is enig aandeelhouder van alle groepsmaatschappijen. Aandeelhouders van WW Zorggroep zijn de heren Winter (40%), De Boer (40%), Flach (10%) en Lensselink (10%), waarbij Flach en Lensselink tevens bestuurders waren van DeSeizoenen. Drie locaties waarin DeSeizoenen BV zorg verleent zijn eigendom van Vastgoed DeSeizoenen BV. Laatstgenoemde verhuurt deze locaties aan DeSeizoenen BV. De verwerving van het vastgoed door Vastgoed DeSeizoenen BV is mede mogelijk gemaakt doordat DeSeizoenen aan Vastgoed DeSeizoenen BV een achtergestelde lening ter beschikking heeft gesteld.
Onderzoeksverslag DeSeizoenen
Het onderzoek richt zich in de kern genomen op de vraag of de verwerving van bepaalde registergoederen waarin DeSeizoenen haar activiteiten ontplooit, voldoende zorgvuldig en onafhankelijk is geweest, en of met de verwerving in de gegeven specifieke situatie voor DeSeizoenen een onderhandelingsresultaat is bereikt dat blijk geeft van behoorlijk ondernemingsbestuur. De eindconclusie van de onderzoeker is kort gezegd dat DeSeizoenen BV bij het tot stand brengen van de verwerving van bepaalde registergoederen enkele fouten heeft gemaakt, maar dat "de ernst van de fouten niet zodanig is dat gezegd kan worden dat DeSeizoenen gehandeld heeft in strijd met de beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur." Er is naar zijn oordeel geen sprake van wanbeleid.
Bij de eindconclusie neemt de onderzoeker net als de OK als uitgangspunt dat het op basis van de bestaande wet- en regelgeving is toegestaan dat het vastgoed waarvan een zorginstelling als DeSeizoenen zich bedient voor de zorgverlening ondergebracht wordt in een aparte entiteit van de groep, en dat de winst die de vastgoedvennootschap maakt met de verhuur van het vastgoed aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd. De onderzoeker deelt de overweging van de OK dat de constructie er echter niet toe behoort te leiden dat voor de zorg bestemde gelden wegvloeien naar zustervennootschappen waarvoor het verbod op winstuitkering niet geldt. Dit is een opvallende normstelling, aangezien deze norm niet voortvloeit uit de Wet Toelating Zorginstellingen (zie hierover ook een eerdere blog).
De lessen uit de casus DeSeizoenen
Uit het onderzoeksverslag valt af te leiden dat gebruikelijke ondernemingsrechtelijke transacties in een zorgomgeving een hogere mate van zorgvuldigheid vereisen dan transacties in een commerciële omgeving. De onderzoeker geeft aan dat de standaarden die gelden voor een BV in een commerciële omgeving niet onverkort van toepassing kunnen zijn op een zorgomgeving. De onderzoeker wijst in dat kader op het winstuitkeringsverbod en het vraagstuk van het tegenstrijdig belang. Hij geeft aan dat tussen de standaarden die gelden in een zorgomgeving en die in een commerciële omgeving gelden, een zekere spanning kan ontstaan. Vanuit maatschappelijk opzicht valt iets te zeggen voor afwijkende standaarden voor de zorgomgeving, maar dat uitgangspunt is veelal niet gebaseerd op een wettelijke grondslag. Bovendien is onduidelijk welke extra normen wel gelden voor zorgaanbieders. Kort en goed, het zijn van een onderneming in de zorg is en blijft een uitdaging.