De NOW-regeling blijft in de eerste uitspraak in hoger beroep overeind

29 januari 2021 | Nieuws

Gisteren heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in de eerste NOW-zaak in hoger beroep.

De belangrijkste les uit de uitspraak

Een zwaluw maakt uiteraard nog geen zomer of winter. Wat wel duidelijk is dat ondernemers de NOW-regeling niet met succes ter discussie kunnen stellen louter omdat de regeling voor die ondernemers negatief uitpakt. Duidelijk is ook dat de minister bij de vormgeving van de NOW bepaalde keuzes mag maken om de regeling uitvoerbaar te houden en om misbruik van de regeling te voorkomen. Betekent de uitspraak nu dat ondernemers in alle gevallen met lege handen staan? Nee daarvoor is het echt nog te vroeg. De Centrale Raad kent namelijk ook belangrijke betekenis toe aan het feit dat de minister serieus heeft geprobeerd om aan de in dit geval benadeelde bedrijven tegemoet te komen. Het is daarom interessant wat het oordeel van de rechter gaat zijn in een zaak waarin er ook sprake is van een knelpunt, maar waarin er geen of veel minder pogingen zijn gedaan om toch zoveel mogelijk aan de belangen van de getroffen bedrijven tegemoet te komen.

Waar ging de zaak over?

De appellant heeft op 1 februari 2020 de deuren van haar nieuwe restaurant geopend. Binnen een paar weken moest zij die deuren al weer sluiten als gevolg van de coronamaatregelen. Het restaurant had op dat moment 5 medewerkers in dienst. De restauranthouder heeft aanvragen onder zowel de NOW-1 als de NOW-2 ingediend. De twee aanvragen zijn in eerste instantie afgewezen. Het beroep op de NOW-1 is afgewezen omdat het restaurant in de referteperiode (november 2019 of januari 2020) geen loonaangifte heeft gedaan. Het beroep op de NOW-2 is afgewezen omdat uit de gegevens die op 15 mei 2020 bekend waren niet bleek dat het restaurant in maart 2020 loonkosten had.

De uitspraak over de NOW-1

De NOW-1 is een algemene noodmaatregel die – noodzakelijkerwijs – onder veel stoom en kokend water tot stand is gekomen. Het is daardoor een generieke maatregel geworden, waarbij niet in alle gevallen maatwerk kan worden geleverd. De minister heeft na de vaststelling van de NOW-1 de regeling daarom een aantal keren gewijzigd om aan een aantal gebleken knelpunten tegemoet te komen. Een van de knelpunten had betrekking op seizoensarbeid. Sommige bedrijven hebben als gevolg van seizoenspatronen in de refertemaanden (november en januari) maar een beperkte omzet of geen of lage loonkosten. Daardoor biedt de NOW-1 voor die bedrijven weinig soelaas. Voor die bedrijven is de NOW-1 aangepast waardoor het bij de vaststelling van de subsidie mogelijk is om alsnog een hogere bijdrage toe te kennen. De keuze is echter gemaakt om de al verleende voorschotten ongemoeid te laten. Die keuze vormde de inzet van het beroep van de restauranthouder. Het restaurant had een voorschot van 0 Euro toegekend gekregen en wil met het beroep bereiken dat zij niet tot de vaststelling van de subsidie moet wachten om (mogelijk) alsnog een vergoeding te ontvangen. De Centrale Raad ‘vertaalt’ deze beroepsgrond zo dat het restaurant stelt dat de NOW-1 gedeeltelijk buiten toepassing moet worden gelaten om alsnog het toekennen van een voorschot mogelijk te maken. 

De Centrale Raad kent in de uitspraak allereerst betekenis toe aan de aard van de regeling. Volgens de Centrale Raad is het niet het doel van de NOW geweest om te voorzien in een allesomvattende regeling om alle bedrijven te redden. Het enkel feit dat de regeling voor sommige werkgevers, zoals starters, nadelig kan uitpakken vormt dan ook onvoldoende reden om te concluderen dat de regeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verder heeft de Centrale Raad oog voor de uitvoerbaarheid van de regeling. De Centrale Raad vindt namelijk dat de minister voldoende heeft toegelicht waarom in verband met de uitvoeringslasten de wijziging is beperkt tot de subsidievaststelling. Indien ook de voorschotten opnieuw zouden moeten worden beoordeeld zou dat namelijk betekenen dat de aanvragen van 150.000 werkgevers opnieuw moeten worden bekeken.

Volgt daarmee uit de uitspraak dat werkgevers die als gevolg van de vormgeving van de NOW geen of slechts beperkt aanspraak op een subsidie kunnen maken steeds achter het net zullen vissen? Niet noodzakelijkerwijs. De Centrale Raad kent namelijk naast de bijzondere aard van de regeling en de uitvoerbaarheid van de regeling ook specifiek betekenis toe aan de omstandigheid dat is geprobeerd om de seizoensbedrijven zoveel mogelijk tegemoet te komen. Niet alleen door de NOW-1 te wijzigen, maar ook doordat deze bedrijven actief zijn benaderd om een vaststellingsaanvraag in te dienen en die aanvragen vervolgens met voorrang worden behandeld. Interessant is daarom hoe de Centrale Raad zal oordelen indien er sprake is van een knelpunt in de NOW-regeling waarbij er door de minister niet of veel minder is geprobeerd om aan de getroffen bedrijven tegemoet te komen.

De uitspraak over de NOW-2

Voor de berekening van de NOW-2 wordt uitgegaan van de loonbetalingen zoals deze blijken uit de uiterlijk op 15 mei 2020 door de Belastingdienst ontvangen loonaangifte met betrekking tot maart 2020. De datum van 15 mei 2020 ligt daarbij vóór de datum waarop de NOW-2 bekend is gemaakt. Het restaurant had vóór de uiterste datum uitsluitend een zogenoemde 0-aangifte gedaan. Omdat uit die aangifte niet van enige loonbetaling is gebleken is het voorschot op nihil gesteld. Het restaurant stelt dat haar de datum van 15 mei 2020 niet mag worden tegengeworpen omdat de datum in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat er geen rechtvaardiging voor de datum van 15 mei 2020 bestaat. De Centrale Raad gaat hier niet in mee omdat de minister voldoende heeft toegelicht dat het belangrijk is een datum te kiezen die vóór de bekendmaking van de regeling ligt om fraude en misbruik van de regeling (door correcties van de loonaangiftes) te voorkomen.

Meld u aan voor onze nieuwsbrieven