Geen verplichting om bestemmingsplan actief te screenen op conformiteit met Dienstenrichtlijn

1 maart 2021 | Publicatie

Niet zelden staan brancheringsregels in een bestemmingsplan aan vestiging van een nieuwe winkel in de weg. In die brancheringsregels is dan bijvoorbeeld bepaald dat bepaalde vormen van detailhandel, zoals reguliere of perifere detailhandel, niet is toegestaan. Zo’n beperking moet voldoen aan de eisen uit de Dienstenrichtlijn, maar het college hoeft bij toetsing van een omgevingsvergunning om af te wijken van een bestemmingsplan niet actief te ‘screenen’ of het bestemmingsplan ook daadwerkelijk voldoet.

De Afdeling heeft in de ‘Appingedam-uitspraak’ van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2062) geoordeeld dat ruimtelijke beperkingen in een bestemmingsplan, waaronder brancheringsregelingen die vormen van detailhandel beperken, enkel zijn toegestaan als die beperking voldoet aan de eisen in de Dienstenrichtlijn: niet discriminatoir, noodzakelijk en evenredig.

Planregel wordt alleen onverbindend verklaard bij evidente strijd met Dienstenrichtlijn

Deze rechtspraak heeft tot gevolg dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan zal moeten gemotiveerd dat de beperking voldoet aan de eisen uit de Dienstenrichtlijn. Maar wat als een bestemmingsplan onherroepelijk is en een ontwikkelaar een omgevingsvergunning aanvraagt en aanvoert dat het bestemmingsplan een met de Dienstenrichtlijn strijdige eis (beperking) bevat? Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dan dat – omdat het bestemmingsplan onherroepelijk is – een planregel alleen onverbindend kan worden verklaard als die regel evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn (zie hierover ons blog). Dit is het geval wanneer de rechter al zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de planregel in strijd is met de Dienstenrichtlijn, bijvoorbeeld als een nadere motivering ontbreekt.

College niet verplicht om bestemmingsplan ‘actief te screenen’ op strijdigheid met Dienstenrichtlijn

Op de gronden van een winkelpark in Hoogezand geldt een branchebeperking waardoor daar enkel grootschalige detailhandel binnen de thema’s wooninrichting, bouwmarkten en tuininrichtingsbedrijven zijn toegestaan. Als gevolg hiervan heeft het winkelpark, volgens de appellanten, te maken met structurele en toenemende leegstand. Zij hebben daarom een omgevingsvergunning aangevraagd om af te wijken van het bestemmingsplan, zodat de panden ook gebruikt kunnen worden voor reguliere detailhandel. De aanvraag is afgewezen en de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard omdat geen sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn.

Door de appellanten is in hoger beroep aangevoerd dat op het college de rechtstreeks werkende verplichting rust om, bij een aanvraag om omgevingsvergunning, actief het bestemmingsplan te screenen op conformiteit met de Dienstenrichtlijn. Dat betekent volgens appellanten dat het college na screening moet bewijzen dat de planregel in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Daarna kan pas worden beslist op de aanvraag en komt de rechterlijke toets – of er sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn – aan de orde.

Tot slot

De Afdeling gaat niet mee in dit betoog van appellanten, omdat het ertoe leidt dat het college ook bij een weigering af te wijken van een onherroepelijk bestemmingsplan ‘vol’ zou moeten toetsen of de planregel in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn (ABRvS 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2864). De Afdeling houdt zodoende vast aan de uitspraak dat een planregel enkel onverbindend kan worden verklaard als sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn. Voor het college geldt daarbij (anders dan bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan met branchebeperkende regels) geen aanvullende motiveringseis. Indien een uitgebreide onderbouwing gewenst is geldt zodoende nog steeds dat het slim kan zijn een aanvraag tot herziening van het bestemmingsplan in te dienen in plaats van een aanvraag om een omgevingsvergunning.

 

Meld u aan voor onze nieuwsbrieven