Pensioenakkoord – de stand van zaken

15 juni 2021 | Blog

Het Pensioenakkoord is een totaalpakket van afspraken en maatregelen. Naast afspraken over de hervorming van het Nederlandse pensioenstelsel bevat het ook afspraken over de verbetering van de oudedagvoorziening in brede zin. Vorige maand informeerde Minister Koolmees de Tweede Kamer over de voortgang van de implementatie van het pensioenakkoord.

Verbetering van de oudedagvoorziening in brede zin
Onderstaand een overzicht van de afspraken over de verbetering van de oudedagvoorziening in brede zin.

De stijging van de AOW-leeftijd is in tempo beperkt. Het volgende tijdpad geldt nu:

Jaartal

AOW-leeftijd

Geboortedatum

2021

66 jaar, 4 maanden

Na 31 augustus 1954 en voor 1 september 1955

2022

66 jaar, 7 maanden

Na 31 augustus 1955 en voor 1 juni 1956

2023

66 jaar, 10 maanden

Na 31 mei 1956 en voor 1 maart 1957

2024

67 jaar

Na 28 februari 1957 en voor 1 januari 1958

Vanaf 2025 geldt dat wanneer onze levensverwachting toeneemt met één jaar, de AOW-leeftijd verhoogd zal worden met acht maanden. Voorheen leidde één jaar langere levensverwachting tot één jaar hogere AOW-leeftijd.

Voorzieningen
Een zware-beroepenregeling bleek uiteindelijk niet mogelijk. In plaats daarvan creëert de Wet bedrag ineens, RVU en Verlofsparen generieke mogelijkheden om eerder te stoppen met werken. De gedachte is dat sociale partners op bedrijfstakniveau nadere afspraken maken over de groepen werknemers die in aanmerking komen voor deze voorzieningen. Sociale partners kunnen deze voorzieningen echter openstellen voor alle werknemers, dus onafhankelijk van het antwoord op de vraag of zij een zwaar beroep vervullen of niet.

  • Verlofsparen: om werknemers meer mogelijkheden te bieden om eerder te stoppen met werken is het aantal weken waarvoor belastingvrij verlof gespaard kan worden verdubbeld van vijftig naar honderd weken met ingang van 1 januari 2021. Dit biedt ruimte aan werkgevers om bijvoorbeeld overwerk of ploegendiensten te belonen met verlofopbouw.
  • Tijdelijke RVU-vrijstelling: werkgevers kunnen sinds 1 januari 2021 in de (maximaal) drie jaar vóór de AOW-leeftijd met hun werknemers een regeling vervroegd uittreden (RVU) overeengekomen, gelijk aan een netto AOW-uitkering, zonder dat hierover de gebruikelijke RVU-heffing verschuldigd is. Dat kan in de vorm van een bedrag ineens of in de vorm van een maandelijkse uitkering. Deze versoepeling van de RVU-heffing geldt vooralsnog tot en met 2025. Daarna vervalt deze mogelijkheid. Wel is het mogelijkheid dat wanneer de werknemer ten minste in 2025 de 64-jarige leeftijd bereikt en uiterlijk op 31 december 2025 een RVU schriftelijk is overeengekomen, de daaruit voortvloeiende uitkeringen (onder voorwaarden) gedaan kunnen worden in 2026, 2027 en 2028. Wanneer een hogere RVU wordt afgesproken, is de werkgever over het gedeelte van de RVU dat de RVU-vrijstelling overstijgt, wel de gebruikelijke RVU-heffing verschuldigd.
  • De MDIEU: in aanvulling op de RVU-vrijstelling, heeft het kabinet voor de periode 2021 tot en met 2025 1 miljard euro beschikbaar gesteld om de totstandkoming van sectorale maatwerkplannen te bevorderen, gericht op het gezond doorwerken tot aan het pensioen. De Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU) is inmiddels in werking getreden en geldt tot en met 2025. Deze regeling voorziet in subsidies voor sociale partners op het terrein van duurzame inzetbaarheid. Bovendien krijgen sociale de mogelijkheid om, daar waar er knelpunten zijn, een tegemoetkoming aan te vragen in de kosten van regelingen voor eerder uittreden voor werknemers voor wie het doorwerken tot het pensioen te zwaar is. Die subsidie is op bedrijfstakniveau gemaximeerd op 25% van de totale uitkeringslast. Ook is een voorwaarde dat de werkgever tegelijk ook investeert in duurzame inzetbaarheid.
  • Bedrag ineens: bij het ingaan van het pensioen krijgt de deelnemer de mogelijkheid om 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen op te nemen. Deze mogelijkheid zou van kracht worden met ingang van 1 januari 2022. Dat blijkt echter te kort dag om pensioenuitvoerders in staat te stellen dit keuzerecht zorgvuldig te implementeren. Daarbij speelt mee dat de huidige vormgeving van dit keuzerecht zodanig is, dat pensioenuitvoerders het niet of nauwelijks kunnen implementeren. Gemikt wordt nu op inwerkingtreding per 1 januari 2023.

Hervorming van pensioenstelsel
Het Nederlandse pensioenstelsel zal ingrijpend hervormd worden door de Wet toekomst pensioenen. Waar veel werknemers nu nog vastomlijnde pensioenen opbouwen, gaan we straks naar een systeem waarbij de werkgever alleen toezegt een bepaalde premie in te leggen. Dat moet aan de hand van één van de twee nieuwe contracten:

(i) de nieuwe premieovereenkomst; en
(ii) de verbeterde premieovereenkomst.

Bij beide contracten worden de ingelegde premies belegd. Dat gebeurt bij de nieuwe premieovereenkomst op collectief niveau, terwijl bij de verbeterde premieovereenkomst elke deelnemer een individueel pensioenvermogen heeft. De nieuwe premieovereenkomst voorziet in een variabele pensioenuitkering, terwijl bij de verbeterde premieovereenkomst het ook mogelijk is om te kiezen voor een vaste pensioenuitkering. Hoe dan ook wordt op voorhand slechter te voorspellen hoe hoog de pensioenuitkering uiteindelijk zal zijn. Ook zullen pensioenuitkeringen vaker dan nu aangepast worden: dat kan uiteraard zowel positief als negatief uitpakken.

Het is de bedoeling van de wetgever en sociale partners om ook alle nu al opgebouwde aanspraken om te zetten in nieuwe aanspraken – zij spreken over “invaren” – al zijn er wel beperkte mogelijkheden om de opgebouwde aanspraken buiten de invaaroperatie te houden.

Aanvankelijk was beoogd dat de Wet toekomst pensioenen in werking zou treden per 1 januari 2022, zodat vervolgens sociale partners en pensioenuitvoerders met de transitie aan de slag konden, zoals volgt uit onderstaande afbeelding.

Inmiddels heeft Minister Koolmees aangekondigd dat hij verwacht dat het wetsvoorstel voor de Wet toekomst pensioenen pas begin volgend jaar naar de Tweede Kamer zal worden gezonden. Als gevolg verschuift de inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2022 naar 1 januari 2023 en verschuift het uiterste transitiemoment naar 1 januari 2027. Tegelijkertijd heeft Minister Koolmees aangegeven te bezien of onderdelen van het nieuwe stelsel al eerder kunnen ingaan. Onduidelijk is vooralsnog of alle andere uiterste data – zoals weergegeven in de afbeelding – ook verschuiven. Zou dat het geval zijn, dan ziet de schematische weergave er als volgt uit.

De Pensioenfederatie heeft al laten weten dat zij blijft streven naar een uiterste invoeringsdatum van 1 januari 2026, dit ondanks de verlenging van de termijn. Verschillende politieke partijen hebben de minister inmiddels om opheldering gevraagd.

Een ander heet hangijzer is de vraag of de duur van de verschillende tijdelijke regelingen – zoals de RVU-vrijstelling en de MDIEU – die aansloot op de uiterste transitiedatum van 1 januari 2026 nu ook verlengd wordt met een jaar.

Webinar
Op donderdag 17 juni organiseerde AKD een webinar waarin Jorn de Bruin en Wim Thijssen specifiek de Wet toekomst pensioenen hebben toegelicht.

Kijk het webinar de impact van de hervorming van het Nederlandse pensioenstelsel voor u als werkgever hier terug. 

Meld u aan voor onze nieuwsbrieven