Terugverdientijd noodzakelijke investeringen bepalend voor looptijd schaarse vergunning

 7 september 2021 | Blog

In een uitspraak van 21 juli 2021 oordeelt de Afdeling dat bij het bepalen van de looptijd van schaarse vergunningen de investeringen en de terugverdientijd in acht moeten worden genomen. In deze zaak – waarbij marktstandplaatsvergunningen waren verleend voor vijf jaar – oordeelt de Afdeling dat geen rekening is gehouden met die terugverdientijd. Deze uitspraak biedt handvatten voor het bepalen van de looptijd bij schaarse vergunningen en zullen wij daarom hierna toelichten.

In deze uitspraak is door de Afdeling duidelijk uiteengezet op welke wijze de looptijd van een schaarse vergunning moet worden bepaald. Aan vergunninghouders dient immers voldoende tijd te worden geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunningen redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven.

Casus

Appellanten hadden vaste standplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd voor de verkoop van vis op markt in Nijmegen. Nadat het college hen schriftelijk heeft medegedeeld dat een nieuw standplaatsenbeleid is vastgesteld, en appellanten noodzakelijkerwijs een aanvraag hebben ingediend, heeft het aan hen vaste standplaatsvergunningen voor de duur van vijf jaren verleend. Tegen deze vergunningverlening zijn appellanten in bezwaar en beroep gegaan. Appellanten zijn van mening dat de looptijd van deze vergunningen te kort is, omdat zij te weinig tijd hebben om de investeringen terug te verdienen en zich voor te bereiden op de gewijzigde toekomst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de looptijd van de vergunning van vijf jaar niet onredelijk is en dat de financiële gevolgen daarvan voor appellanten niet zwaarder zijn dan het feit dat bij een langere geldigheidsduur onevenredige bevoordeling ten opzichte van andere gegadigden kan bestaan. Tegen deze uitspraak zijn appellanten in hoger beroep gegaan.

Afdeling: ook bij beleidsmatige schaarste dienen vergunningen voor een passende beperkte duur te worden verleend

In hoger beroep verwijzen appellanten naar artikel 33 lid 5 Dienstenwet. Hieruit volgt dat vergunningen – die schaars zijn vanwege natuurlijke schaarste – voor een passende beperkte duur moeten worden verleend. In deze zaak gaat het om beleidsmatige schaarste, zoals bedoeld in artikel 33 lid 1 onder b Dienstenwet. Hoewel de Afdeling van oordeel is dat artikel 33 lid 5 Dienstenwet niet op deze vergunning ziet, is zij van oordeel dat toepassing van de Dienstenwet tot dezelfde uitkomst dient te leiden. De Afdeling oordeelt zodoende dat ook vergunningen die schaars zijn vanwege beleidsmatige overwegingen voor een passende beperkte duur moeten worden verleend.

Vervolgens is het de vraag wát een ‘passende beperkte duur’ is. De Afdeling verwijst naar overweging 62 uit de preambule van de Dienstenrichtlijn. Daaruit volgt het volgende: “In het bijzonder moet de geldigheidsduur van de vergunning zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grotere mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijving van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.” De Afdeling leidt hieruit af dat bij het bepalen van een passende beperkte duur van een beleidsmatig schaarse vergunning de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen als factor moet worden meegenomen.

Terugverdientijd investeringen bepalend voor looptijd schaarse vergunning

De Afdeling acht bij het bepalen van de looptijd van de vergunning van belang of voldoende tijd wordt geboden om de noodzakelijke gemaakte investeringen en de investeringen die lopende de geldigheidsduur van de vergunningen redelijkerwijs moeten worden gemaakt, kunnen worden afgeschreven. Die termijn hoeft vervolgens niet per vergunning of vergunninghouder te worden bepaald, maar zou wel per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, kunnen worden vastgesteld.

In het beleid over de standplaatsen in Nijmegen is bij het bepalen van de looptijd geen rekening gehouden met de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen. De Afdeling oordeelt zodoende, anders dan de rechtbank, dat het besluit van het college onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.

Conclusie

In deze uitspraak is door de Afdeling duidelijk uiteengezet op welke wijze de looptijd van een schaarse vergunning moet worden bepaald. Aan vergunninghouders dient immers voldoende tijd te worden geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunningen redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven. Daarbij hoeft het college persoonlijke financiële omstandigheden niet in acht te nemen, maar zou wel per branche onderzocht kunnen worden welke duur passend is. Daarbij kunnen het ‘Stappenplan beoordeling looptijd vergunningen ambulante handel’ en het rapport ‘Schaarse vergunningen op de markt, een onderzoek naar de gevolgen’ mogelijk behulpzaam zijn en inspiratie bieden om ook in andere branches dan de ambulante handel dergelijke onderzoeken uit te voeren.

In een uitspraak van 21 juli 2021 oordeelt de Afdeling dat bij het bepalen van de looptijd van schaarse vergunningen de investeringen en de terugverdientijd in acht moeten worden genomen. In deze zaak – waarbij marktstandplaatsvergunningen waren verleend voor vijf jaar – oordeelt de Afdeling dat geen rekening is gehouden met die terugverdientijd. Deze uitspraak biedt handvatten voor het bepalen van de looptijd bij schaarse vergunningen en zullen wij daarom hierna toelichten.

In deze uitspraak is door de Afdeling duidelijk uiteengezet op welke wijze de looptijd van een schaarse vergunning moet worden bepaald. Aan vergunninghouders dient immers voldoende tijd te worden geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunningen redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven.

Casus

Appellanten hadden vaste standplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd voor de verkoop van vis op markt in Nijmegen. Nadat het college hen schriftelijk heeft medegedeeld dat een nieuw standplaatsenbeleid is vastgesteld, en appellanten noodzakelijkerwijs een aanvraag hebben ingediend, heeft het aan hen vaste standplaatsvergunningen voor de duur van vijf jaren verleend. Tegen deze vergunningverlening zijn appellanten in bezwaar en beroep gegaan. Appellanten zijn van mening dat de looptijd van deze vergunningen te kort is, omdat zij te weinig tijd hebben om de investeringen terug te verdienen en zich voor te bereiden op de gewijzigde toekomst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de looptijd van de vergunning van vijf jaar niet onredelijk is en dat de financiële gevolgen daarvan voor appellanten niet zwaarder zijn dan het feit dat bij een langere geldigheidsduur onevenredige bevoordeling ten opzichte van andere gegadigden kan bestaan. Tegen deze uitspraak zijn appellanten in hoger beroep gegaan.

Afdeling: ook bij beleidsmatige schaarste dienen vergunningen voor een passende beperkte duur te worden verleend

In hoger beroep verwijzen appellanten naar artikel 33 lid 5 Dienstenwet. Hieruit volgt dat vergunningen – die schaars zijn vanwege natuurlijke schaarste – voor een passende beperkte duur moeten worden verleend. In deze zaak gaat het om beleidsmatige schaarste, zoals bedoeld in artikel 33 lid 1 onder b Dienstenwet. Hoewel de Afdeling van oordeel is dat artikel 33 lid 5 Dienstenwet niet op deze vergunning ziet, is zij van oordeel dat toepassing van de Dienstenwet tot dezelfde uitkomst dient te leiden. De Afdeling oordeelt zodoende dat ook vergunningen die schaars zijn vanwege beleidsmatige overwegingen voor een passende beperkte duur moeten worden verleend.

Vervolgens is het de vraag wát een ‘passende beperkte duur’ is. De Afdeling verwijst naar overweging 62 uit de preambule van de Dienstenrichtlijn. Daaruit volgt het volgende: “In het bijzonder moet de geldigheidsduur van de vergunning zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grotere mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijving van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.” De Afdeling leidt hieruit af dat bij het bepalen van een passende beperkte duur van een beleidsmatig schaarse vergunning de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen als factor moet worden meegenomen.

Terugverdientijd investeringen bepalend voor looptijd schaarse vergunning

De Afdeling acht bij het bepalen van de looptijd van de vergunning van belang of voldoende tijd wordt geboden om de noodzakelijke gemaakte investeringen en de investeringen die lopende de geldigheidsduur van de vergunningen redelijkerwijs moeten worden gemaakt, kunnen worden afgeschreven. Die termijn hoeft vervolgens niet per vergunning of vergunninghouder te worden bepaald, maar zou wel per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, kunnen worden vastgesteld.

In het beleid over de standplaatsen in Nijmegen is bij het bepalen van de looptijd geen rekening gehouden met de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen. De Afdeling oordeelt zodoende, anders dan de rechtbank, dat het besluit van het college onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.

Conclusie

In deze uitspraak is door de Afdeling duidelijk uiteengezet op welke wijze de looptijd van een schaarse vergunning moet worden bepaald. Aan vergunninghouders dient immers voldoende tijd te worden geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunningen redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven. Daarbij hoeft het college persoonlijke financiële omstandigheden niet in acht te nemen, maar zou wel per branche onderzocht kunnen worden welke duur passend is. Daarbij kunnen het ‘Stappenplan beoordeling looptijd vergunningen ambulante handel’ en het rapport ‘Schaarse vergunningen op de markt, een onderzoek naar de gevolgen’ mogelijk behulpzaam zijn en inspiratie bieden om ook in andere branches dan de ambulante handel dergelijke onderzoeken uit te voeren.