Handreiking voor onderzoek naar integriteitsschending

24 januari 2020 | Blog

Op 20 januari jl. hebben Hugo Doornhof en Robin Janssen de door hen geschreven Handreiking voor onderzoek naar integriteitsschending gepresenteerd.

Toenemende aandacht van de wetgever

De laatste jaren is de integriteit van het decentrale bestuur steeds nadrukkelijker op de agenda van de wetgever gekomen. Dat heeft geresulteerd in een toename van wettelijke verplichtingen en instrumenten. Deze variëren van algemeen geformuleerde zorgplichten, tot concrete regels over bijvoorbeeld het openbaar maken van nevenfuncties. De regering monitort de effectiviteit van het bestaande integriteitsinstrumentarium voortdurend. Mede in verband met de toenemende maatschappelijke aandacht voor het thema, heeft zij de Tweede Kamer bovendien geïnformeerd over haar onderzoek naar een mogelijke aanpassing en uitbreiding van de bevoegdheden van de besturen van decentrale overheden.

Een vermoeden van een integriteitsschending, en dan?

Ontstaat het vermoeden dat er sprake is van niet-integer handelen of wordt daarvan een melding gedaan, dan is het van groot belang dat afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop daarmee wordt omgegaan. De wetgever heeft aan overheidsorganisaties de vrijheid gelaten om deze verantwoordelijkheid zelf in te vullen. Uit onderzoek is evenwel gebleken dat een meerderheid van de overheidsorganisaties niet beschikt over een integriteitbeleidsplan of –protocol dat hierin voorziet.

Verordening processtappen integriteitsschending

De Handreiking biedt hulp aan overheidsorganisaties om op een goede manier te komen tot afwikkeling van een vermoeden of melding van een integriteitsschending. Hugo en Robin adviseren om hierover heldere procesafspraken te maken en deze vast te leggen in een Verordening processtappen integriteitsschending. De Handreiking verschaft inzicht in de juridische context waarbinnen deze afspraken worden gemaakt, en bevat bouwstenen voor het opstellen van een dergelijke Verordening.

Geen ‘one-size-fits-all’

De insteek van de Verordening moet zijn dat het integriteitsonderzoek in een geschikte vorm en volgens een deugdelijke methodiek plaatsvindt. Het is wenselijk dat zij ruimte laat voor nadere afweging, zodat de insteek kan verschillen naargelang de aard van de melding of het vermoeden van een integriteitsschending. Integriteitsonderzoeken zijn te onderscheiden in feitenonderzoeken, en onderzoeken waarin deze feiten ook worden onderworpen aan een toetsing aan normen. In dat geval moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen wettelijke normen, niet-bindende gedragscodenormen en morele standaarden. Bij deze laatste categorie ligt een toetsing minder voor de hand.

Bent u geïnteresseerd in de Handreiking? Vraag dan een exemplaar van aan bij Hugo of Robin.

Meld u aan voor onze nieuwsbrieven